De ons bekende Ruïne van Brederode in Santpoort-Zuid werd in de tweede helft van de 13de eeuw gesticht door Willem I van Brederode, die verwant was aan de graven van Holland. Het kasteel was een onderdeel van de hoge heerlijkheid Brederode, waarmee Willem door de graaf van Holland was beleend. In eerste instantie was het een donjon, een versterkte woontoren. Deze werd rond 1300 afgebroken, waarna Dirk II een nieuw kasteel liet bouwen.
Tijdens de Hoekse en Kabeljauwse twisten bleven de Brederodes trouw aan Margaretha van Beieren. Het kasteel werd in 1351 belegerd en was na de overgave zo zwaar beschadigd, dat het moest worden gesloopt. Toen de Brederodes zich drie jaar later weer verzoenden met de graaf van Holland werd het kasteel herbouwd. Het zou niet meer worden bewoond, maar bleef wel een belangrijke rol spelen voor de Hoeken. Een kleine eeuw later verwoestten de Kabeljauwen het zuidelijke gedeelte van het kasteel waarna uiteindelijk het noordelijke gedeelte werd hersteld. Tijdens de opstand van het Kaas- en Broodvolk in 1492 werd het kasteel geplunderd. In 1568 kwam het in het bezit van de Staten van Holland maar na het beleg van Haarlem tijdens de 80-jarige opstand werd het opnieuw geplunderd en in brand gestoken.
Het Huis Brederode speelde een belangrijke rol in de geschiedenis der Nederlanden. Dirk van Teylingen (ca. 1180-1236) was heer van Brederode en drossaard van de graaf van Holland. Bij afwezigheid van de graaf was hij diens eerste vervanger. Zijn zoon Willem trok in 1248-49 met graaf Willem II mee op veldtochten tegen de opstandelingen boven de Rijn en tegen de West-Friezen. Hij werd in 1255 tot ridder geslagen en later benoemd tot baljuw van Kennemerland. De volgende heer van Brederode, Dirk II, was succesvol in de strijd tegen de opstandige Friezen en wist hen uiteindelijk te onderwerpen. Kleinzoon Dirk III was actief in de Hoekse en Kabeljauwse twisten aan de zijde van Margaretha van Beieren in 1350-51. De zesde heer van Brederode was niet alleen raadsman en zegelbewaarder van de graaf van Holland en baljuw van Kennemerland (1357-59), maar verwierf ook de titel ‘graaf van Gennep’. Hij overleefde een moordaanslag bij Castricummerzand.
De zevende heer van Brederode, Jan van Brederode, trok op tegen de weer in opstand gekomen West-Friezen. Hij financierde de stichting van menig kapel en klooster en trad uiteindelijk zelf in 1402 in een klooster, waar hij het boek ‘La Somme du Roy’ in gewoon middeleeuws-Nederlands vertaalde. Omdat z’n broer gevangen was genomen door de heer van Arkel, had Jan geen middelen meer om z’n schulden te voldoen. Hij trad daarom uit om aanspraken te kunnen maken op enkele heerlijkheden. Dit mislukte, waarop hij een klooster belegerde, gevangen werd genomen, naar Frankrijk trok om deel te nemen aan de Honderdjarige Oorlog tussen Frankrijk en Engeland om tenslotte als huurling bij de Slag van Azincourt te sneuvelen.
Walraven I (1370-1417) was niet alleen heer van Brederode, maar ook graaf van Gennip en stadhouder van Holland. Ook hij vocht tegen de West-Friezen, waar hij in zijn functie van burggraaf van Stavoren gevangen werd genomen, vrijgekocht, weer gevangen werd genomen en vervolgens uit het venster van z’n gevangenis wist te ontsnappen. De functie van burggraaf legde hij daarop met graagte neer. Hij vocht in de Arkelse oorlogen. Ook daar werd hij gevangen genomen en vele jaren opgesloten. Tijdens een nieuwe ronde in de strijd tegen de Arkels werd hij in de nauwe straten van Gorinchem dodelijk getroffen door een pijl. Zijn zoon, Reinoud II trad in1445 toe tot de Orde van het Gulden Vlies en werd tot burggraaf van Utrecht benoemd. De Bourgondiërs namen hem gevangen en martelden hem. Hertog Karel de Stoute van Bourgondië gaf hem uiteindelijk zijn vrijheid terug.
In de periode dat de Bourgondiërs in de lage landen steeds meer voet aan de grond kregen, speelden de volgende heren van Brederode hun rol, Reinoud II en Walraven II. De tweede nam in 1486 zitting in de raad van Maximiliaan van Oostenrijk. Na het overlijden van Maximiliaans vrouw, Maria van Bourgondië, zocht de keizer naar een manier om de Hoekse factie te versterken. Walraven verkeerde in de gunst van Maximiliaan en deze stelde Walravens broer Frans van Brederode aan het hoofd van de Hoekse beweging.
De volgende heer van Brederode was Reinoud III (1492-1556), tevens heer van Vianen, burggraaf van Utrecht, lid van de Raad van State en raads- en kamerheer van Keizer Karel V. Hij verkocht de heerlijkheden Sloten, Sloterdijk, Osdorp en Amstelveen aan de stad Amsterdam. Kasteel Batenstein was zijn thuis en hij regelde in Vianen de muntslag en de rechtspraak. Omdat hij leenplichtig was aan Holland mocht hij dit echter niet doen. Het conflict dat dit veroorzaakte met de graaf van Holland bezorgde hem een ter dood veroordeling. Dit werd echter ongedaan gemaakt door de keizer.
Reinouds zoon Hendrik werd bekend onder de bijnaam ‘de Grote Geus’. In 1565 werd hij lid van het Verbond der Edelen, dat het Smeekschrift aanbood aan Margaretha van Parma, de landvoogdes. Hij probeerde Utrecht en Amsterdam in te nemen, maar verloor in 1567 de slag bij Oosterweel, mede door het feit dat Willem van Oranje de Antwerpse calvinisten tegenhield, die Hendrik te hulp wilden komen. Hendrik week daarop uit naar Duitsland, waar hij weer teleurgesteld werd door Willem van Oranje, die weigerde zich achter de gewapende opstand tegen Filips II te scharen. Hij overleed in Duitsland. Pas na 1572 werd het verzet tegen Filips succesvoller. Dat gebeurde toen de watergeuzen geleid werden door een volle neef van Hendrik van Brederode, Willem van der Marck, heer van Lumey.
De heerlijkheid Brederode was in 1568 verbeurd verklaard door Filips II. De Staten van Holland bevestigden Reinoud IV in 1579 echter weer als heer van Brederode. Na hem kwam Walraven III als 14e heer van Brederode. Hij werd in 1586 door de graaf van Leicester in de Raad van State benoemd en was een belangrijk diplomaat. Als dooppeter van de oudste zoon van koning Jacobus VI, was hij met Frederik Hendrik en Johan van Oldenbarnevelt in 1603 afgevaardigd naar de troonsbestijging van de Engelse koning. Zijn neef Walraven IV volgde hem op. Deze stond als fanatiek contraremonstrant aan de zijde van prins Maurits en speelde dan ook een rol bij de Synode van Dordrecht. Hij viel van z’n paard op het ijs en stierf kinderloos, waarna z’n neef Joan Wolfert van Brederode hem opvolgde. Deze werd veldmaarschalk van het Staatse leger en had onder Frederik Hendrik een groot aandeel in diens militaire successen. Ondanks deze successen onder de Oranjes en zijn familieband met hen, steunde hij als republikein raadspensionaris Johan de Witt. Met het overlijden van Joan in 1655 werd de positie van de raadspensionaris verzwakt, omdat de Ridderschap nu overwegend prinsgezind was.
Joans zoons Hendrik (17de heer van Brederode tot 1657) en Wolfert (18de en laatste heer van Brederode) hadden beiden een militaire opleiding en maakten deel uit van het naar hen genoemde Brederode regiment. De heerlijkheid Brederode verviel aan de staat. De overige heerlijkheden kwamen in handen van de Brederode-zussen Hedwig Agnes en Amelia Wilhelmina.

Betekenis van een aantal gebruikte woorden in bovenstaand artikel:
Van Brederode – achternaam of titel
Van Brederode was zowel een titel als een familienaam. De familienaam van de heren van Brederode was oorspronkelijk: Van Teylingen. Teylingen was in het bezit van Dirk I, net als de heerlijkheid Brederode. Edelen in die tijd (en lang daarna) namen hun titel aan als naam. Als later Willem de Zwijger het prinsdom Orange in Frankrijk erft, wordt hij daarna Willem van Oranje genoemd. Maar eerder was zijn naam Willem van Nassau, naar het familiebezit in Duitsland. Zijn broers heetten dus van Nassau, want Orange was een persoonlijke erfenis van Willem.
Heerlijkheid
Een heerlijkheid was het grondgebied waarbinnen een heer op grond van een leenovereenkomst het recht had het gezag over de bewoners uit te oefenen. Hieruit haalde hij ook z’n inkomsten. Hij had in het grondgebied de zogenaamde heerlijke rechten. De heren van Brederode waren verwant aan de graaf van Holland en waren aan hem leenplichtig, zoals je kunt zien in het stukje over de eigenmachtige muntslag van Reinoud III.
Graaf
De titel ‘graaf’ werd meestal door de heer (koning, keizer ed.) aan een leenman gegeven die een buitengebied van een rijk moest verdedigen. Vandaar: graaf van Holland. Meer naar het centrum waren het meestal ‘hertogen’. Denk aan: hertog van Brabant en Gelre.
Burggraaf
Een burggraaf was oorspronkelijk de vertegenwoordiger van een landsheer binnen een stad of burcht. Hij had militair en justitieel gezag. Later werd het een adellijke titel in rangorde onder een graaf en boven een baron.
Donjon
Donjons waren de eerste stenen versterkte woontorens die in dit gebied door edelen werd gebouwd.
Drossaard (of Drost)
Een drossaard, drost of landdrost was in de late middeleeuwen een functionaris die voor een bepaald gebied de landsheer vertegenwoordigde met als taken handhaving openbare orde, wetgeving, rechtspraak en verdediging van het toegewezen territorium.
Baljuw
Een baljuw was een vertegenwoordiger van de vorst ter plaatse. Hij was een ambtenaar die voornamelijk optrad als gerechtsofficier. Hij had het toezicht op de rechtsgang en zat de rechtbank voor. Hij bracht ook de vonnissen ten uitvoer. Hetzelfde als een schout.
Zegelbewaarder
Een zegelbewaarder was een hoge staatambtenaar, belast met het bewaren van het staats- en regentenzegel en met het zegelen van de staatsoorkonden.
Muntslag
Een landheer of een stad kon het recht hebben op muntslag (munten slaan ofwel geldfabricage). Zo had de belangrijkste stad in 9de eeuw in dit gebied, Dorestad, het recht om munten te slaan. Dit recht werd door de landsheer vergund.
Contraremonstrant
Als prins Maurits (prins omdat hij de titel prins van Orange geërfd had van z’n vader) in onmin raakt met de raadspensionaris van Holland, Johan van Oldenbarnevelt, valt dat samen met een richtingenstrijd binnen de protestantse Republiek der 7 Verenigde Nederlanden tussen de ‘rekkelijken’ en de ‘preciezen’, ofwel de ‘remonstranten’ en de ‘contraremonstranten’. Maurits ziet in deze strijd een mogelijkheid om z’n macht hier te vergroten. Hij liet daarom de raadspensionaris als aanhanger van de remonstranten ter dood brengen.
Huis Brederode
Meer info op wikipedia.

Misschien heeft u hier wat aan, via delpher.nl:
Boeken Basis, Titel = Nederlandsch geslacht- stam- en wapenboek.
Auteur = Fertwerda, Abraham – Co-auteur = Kok, Jacobus
Jaar van uitgave 1785
Zie verder vanaf deze pagina, betreft GESLACHT VAN BREDERODE:
https://resolver.kb.nl/resolve?urn=dpo:3487:mpeg21:0345
De heren van Brederode zijn juist niet verwant aan de graven van Holland. Ze zijn zelfs gestraft omdat Brederodes bleven beweren dat zij familie waren van de Hollandse graven. De kwestie is breedvoerig na te lezen in het standaardwerk Onvoltooide Roem van de heer Jan H. Verhoogd (Velsenaar) uit 1997. Uitgegeven door De Coogh te Bergen.