Beeckzangh honderd jaar familiebezit


door: Jan Morren

Inleiding

Aan de Beecksanghlaan in Velsen-Noord staat de laatste kleine buitenplaats, die ooit deel uitmaakte van een reeks buitenplaatsen die Velsen-Noord kende. Deze buitenplaats, Beeckzangh genaamd, is op 2 september 1903 gekocht door Johann Willem Arend Koster. Nog steeds zijn de nazaten van Johann Willem Arend in het bezit van deze kleine goed bewaarde buitenplaats. Dit jaar is Beeckzangh een eeuw in het bezit van de familie Koster, reden om aan deze heuglijke en bijzondere gebeurtenis aandacht te schenken. In het navolgende verhaal wordt kort ingegaan op de vroege historie van Beeckzangh¹ en uitgebreider op de periode waarin de familie Koster de buitenplaats in bezit heeft

Het Blauwselhuis

Beeckzangh wordt in de tweede helft van de 17de eeuw gesticht als blauwselmakerij door deAmsterdamse blauwselverkoper Nicolaas Luyders. Het gefabriceerde blauwsel kan hij leveren aan de vele blekerijen die Kennemerland in deze eeuw rijk is. Al voor 1709 was de blauwselmakerij door Pieter Breetvelt omgevormd tot een kleine buitenplaats, in die tijd een hofstede genoemd. Hij geeft aan de hofstede de naam Het Blauwselhuis. 
Rond 1826 is de hofstede in handen van meerdere eigenaren. Jan Santen uit Beverwijk heeft het gedeelte in bezit waarop het herenhuis staat. Voorzover is na te gaan teelt hij bloembollen op de hofstede. Zijn zoon en opvolger Johannus Albert verkoopt in 1876 het Blauwselhuis aan mr. Daniël Adriaan Koenen, een advocaat uit Amsterdam, tevens amateurdichter en zoon van de bekende letterkundige mr. H.J. Koenen (1809-1874). Daniël Adriaan geeft aan het Blauwselhuis de naam Beeckzangh, naar het gelijknamige gedicht van Joost van den Vondel. Vondel schreef dat tijdens een van zijn verblijven op de hofstede Scheijbeeck, ten oosten van Beeckzangh. Het gedicht gaat over de Scheijbeeck die er langs stroomt. Een van de verzen uit het gedicht luidt als volgt:

De klare Beeck, uit schorre duinen
Gesproten, om uw ackerlant
Uw vijvers, bosch en groene tuinen,
Langs oevers, dicht met loof beplant,
Te laven met lieflijck morren,
Tot dat ze valt in 't Wijcker meer.

 

In de tijd dat Daniël Adriaan Koenen eigenaar is van Beeckzangh, komt er opnieuw een dichter naar Velsen en de Scheijbeeck. Zoon Jaap Koenen is namelijk bevriend met de dichter Herman Gorter. Deze laatste schrijft in het voorjaar van 1887 een groot deel van het beroemde gedicht Mei op Beeckzangh. Dit blijkt uit een brief die hij in 1907 schrijft aan de vrouw van de toen doodzieke Jaap Koenen, waarin staat: Op Beeckzangh schreef ik het heele begin van Mei
In de voorgevel van de villa is een gedenksteen aangebracht ter herinnering aan het bezoek van Herman Gorter aan Beeckzangh, met de tekst Op Beeckzangh schreef ik het heele begin van Mei, Herman Gorter, voorjaar 1887. De gedenksteen is op 9 juli 1993 onthuld door burgemeester Anneke van Dok-van Weele. De steen is een initiatief van de streekhistoricus J. van Venetien.
In het gedicht Mei gaat één vers over een beek. Dit vers luidt als volgt:

Maar uit den vijver vlucht een beekje heen, 
Water louter juwelig licht, een steen, 
Een marm'ren kei in 't beddingzand, laat kwik 
Los, zilver, dat fijn schitt'ring geeft waar dik
Riviergras is gewassen. Zwaar geblaard 
Staan jonge planten in de oeveraard,
Het zijn de luist'raars naar zacht geschal 
Dat 't water maakt. Het springt met zwaren val 
En praat en babbelt lager in de schauw. 
Klimop en varens luisteren, maar nauw 
De hoge bomen, die zijn altijd vol 
Van zonschijn en van wind en 's avonds dol
Van spreeuwgekwetter. Maar laat in de nacht 
Is 't water hoorbaar als de boomuil lacht. 

 

De Scheijbeeck stroomt nog steeds langs Beeckzangh en laat zijn stroomgezang nog altijd klinken. Daniël Adriaan Koenen geeft het herenhuis Beeckzangh zijn huidige omvang en houdt dit huis tot 1899 in bezit.

Honderd jaar in bezit van de familie Koster

Op 2 september 1903 wordt een deel van Beeckzangh bestaande uit een herenhuis met stal en koetshuis, bergplaats, erf en tuin, kadastraal bekend als sectie B perceel 700 en 701 gekocht door Johann Willem Arend Koster. Hij gaat samen met twee tantes afkomstig uit Duitsland in het huis Beeckzangh wonen om van het buitenleven te genieten. Het initiatief gaat uit van de tantes die in Amsterdam een manufacturenwinkel hebben. Het geheel wordt omschreven als het buitenverblijf Beeckzangh aan de Oud Romerweg, een oudere naam voor de Beecksanghlaan. 
Johann Willem Arend Koster is eigenaar van een diamantkloverij en pachter van een overzetplaats/tolbrug bij de Overtoom in Amsterdam. Hij is een ondernemend type die voorheen in Hillegom of Lisse in de bollenteelt heeft gewerkt. Vooral het pachten van de overzetplaats/tolbrug heeft hem een financieel welvarend man gemaakt. Als liefhebber van paarden houdt hij er een equipage (paard met rijtuig) op na. Ook heeft hij een zeilboot en speelt hij veel cricket. Hij is getrouwd met Maria Wtenweerde, die afkomstig is uit een adellijk geslacht. (Een zekere Arnt Wtenweerde was in 1488 leenman van een hofstad met land onder Maurik). 
In korte tijd koopt Johann Willem Arend nog meer stukjes grond of bouwland bij Beeckzangh en brengt hiermee de hofstede aan de zijde van Scheijbeeck weer terug naar de omvang van de hofstede het Blauwselhuijs, alleen strekt de hofstede nu niet meer zover naar het westen als in 18de eeuw. Een gedeelte van het bouwland wordt ingericht als tuin. Bij de aankoop van Beeckzangh zijn inbegrepen een paardenstal en een houten koetshuis met tuigkamer en koetsierskamer. Er is ruimte voor twee paarden en koetsen. Het koetshuis en de stal zijn volgens overlevering vanuit de Drunese duinen, nabij Vught in Brabant, overgebracht naar Beeckzangh. Vermoedelijk kweekt Johann Willem Arend aanvankelijk louter als hobby tulpenbollen, voortkomend uit de tijd dat hij in de bollenteelt werkte. Maar in de loop van de tijd neemt de bollenteelt een steeds belangrijkere plaats in op Beeckzangh. Van de hofstede met zijn tuin en bouwlanden worden steeds grotere stukken in gebruik genomen voor de bollenteelt. Ook de landschappelijke vijver wordt gedempt om ruimte te maken voor de bollenteelt. In het herenhuis worden kamers ingericht voor het drogen van bollen. In 1906 en 1907 wordt het herenhuis verbouwd en opnieuw opgesplitst in twee woondelen². Eén woondeel zal bestemd zijn voor de twee tantes van Johann Willem Arend.

Het gaat goed met het bollenbedrijf. Dat maakt in 1926 de bouw van een grote bollenschuur en in 1927 de bouw van een kas noodzakelijk. De nu nog bestaande bollenschuur wordt gebouwd achter het koetshuis en de stal. De kas zal ook in deze omgeving gestaan hebben. Naast de bollenvelden, bij het koetshuis, de stal en bollenschuur, ligt nog een park met daarin peren- en appelbomen. 
Johann Willem Arend overlijdt op 6 oktober 1926 en wordt begraven op de begraafplaats De Biezen bij Santpoort. Zijn echtgenote Maria zet met haar drie zonen Dirk, Pieter Adrianus en Johann Willem Arend het bedrijf voort. Maria overlijdt op 19 november 1949, waarna zij wordt bijgezet op De Biezen. 
Circa 1927 worden de drie broers eigenaar van Beeckzangh en het bollenbedrijf onder de naam N.V. Gebroeders Koster's Bloembollenkwekerij en handel. Later vertrekt Dirk naar Schotland en begint daar een kwekerij. Pieter Adrianus en Johann Willem Arend zetten het bedrijf voort. Zij wonen beiden met hun gezin in het herenhuis.

In 1930 gaat Pieter Adrianus in het nieuwe huis wonen dat ten zuiden van het herenhuis op Beeckzangh wordt gebouwd. Pieter Adrianus trekt zich in 1943 terug uit het bedrijf. Hij koopt het nieuwgebouwde huis en een gedeelte van het land van Beeckzangh van zijn broer en voegt dit bij het land dat hij gekocht heeft bij de Grote Hout- of Koningsweg. Samen met Pieter Kemp uit Velsen begint hij zelf een bloembollenkwekerij. De rest van Beeckzangh en het bollenbedrijf komen op naam van Johann Willem Arend, die getrouwd is met tuindersdochter Margaretha Pleeging. Uit hun huwelijk worden Johann Willem Arend en Johannes Hermanus geboren. Johann Willem Arend senior maakt in de zomer regelmatig met zijn rijtuig een rit naar Wijk aan Zee. Buiten het badseizoen kan hij dit beter niet doen, want dat wordt niet geaccepteerd door de bewoners van Wijk aan Zee. Hij neemt dan een andere route om niet het risico te lopen met stenen bekogeld te worden.

Johann Willem Arend Koster. 

Johann Willem Arend junior trouwt met Maria Wilhelmina Heck. In 1956 wordt het bedrijf op naam van Koster junior gezet. Het bedrijf wordt dan een vennootschap onder firma,Bloembollenbedrijf J.W.A. Koster en Zoon. Junior werkt met zijn vader mee in het bedrijf tot circa 1960. Dan stoppen zij met bedrijf omdat de grond gedeeltelijk de bestemming krijgt voor industrie en wegenaanleg. Uiteindelijk blijkt dat de plannen weer gewijzigd worden en dat er maar een klein gedeelte gebruikt wordt voor wegenaanleg. Achteraf blijkt dat het bollenbedrijf had kunnen blijven en de grond niet nodig was voor de industrie. Johann Willem Arend senior stopt met werken en junior gaat bij de Hoogovens werken in de afdeling verkoop en export. Koster senior wordt in 1985 getroffen door het overlijden van zijn echtgenote; hij overlijdt in 1986. 
Johann Willem Arend junior en zijn vrouw blijven op Beeckzangh wonen. Ook zij zijn gek op paarden. In 1982 ontmoet J.W.A.Koster jr. een nazaat van Daniël Koenen. Van hem krijgt hij een boek ten geschenke met een begeleidende brief. Hierin wordt het volgende vermeld: 
Mijn vader bracht in zijn jeugd de vacanties veelal op 'Beeckzangh' door, met zijn 3 jongere broers, en vrienden waaronder Herman Gorter, de dichter, en zijn broer Douwe. Zij begonnen met een muildier, later met een hit, tenslotte een span boerenpaarden. Alles moesten zij zelf doen, want mijn grootvader hield geen rijtuig, en er was dus geen koetsier; zelfs geen stal jongen. Voor de africhting van het tweespan, dat netjes voor een rijtuig moest leren draaien, had mijn vader dit boek aangeschaft. N.H. Koenen 11 juni 1982. Het boek heeft de titel De kunst van het paardrijden en is geschreven door Adolf Kästner.

Als Johann Willem Arend met pensioen gaat kan hij samen met zijn vrouw de paardenhobby voortzetten en genieten van het leven op Beeckzangh. Achter het herenhuis bevindt zich nog steeds een groene oase met tuin en weilanden. De bollenschuur met koetshuis en de stallen zijn bewaard gebleven. Achter het herenhuis staat een aantal bomen waarvan twee beukenbomen en één lindeboom geregistreerd zijn als monumentale bomen. Het herenhuis dat als villa benoemd wordt, is recent nog geheel geschilderd en staat als laatste overblijfsel van de reeks buitenplaatsen, die ooit in Velsen-Noord lag, te pronken aan de Beecksanghlaan. De naam van de laan wordt in tegenstelling tot de naam op het herenhuis geschreven met een s. Het laatste paard dat het echtpaar Koster hield is begin 2003 overleden. 
Het herenhuis staat sinds 1989 op de gemeentelijke monumentenlijst. In de jaren negentig van de 20ste eeuw is de houten stal voor een gedeelte vernieuwd. Het echtpaar Koster hoopt nog vele jaren te genieten van het wonen op deze oude buitenplaats en spreekt de wens uit dat Beeckzangh ook in de verre toekomst samen met de resterende groene oase bewaard mag blijven.

 De villa Beeckzangh. 

Het voormalige herenhuis

Het voorste deel van de villa heeft empire stijlkenmerken uit het begin van de 19de eeuw, terwijl het achterste deel is ontstaan uit een verbouwing uit 1887-1888. In de tuin staan twee zeer oude rode beuken en een lindeboom. In 1977 is de villa niet op de rijksmonumentenlijst geplaatst, maar in 1989 wel op de gemeentelijke monumentenlijst. Het terrein rond de villa Beeckzangh is vrij ongeschonden. Het is zeer goed mogelijk dat delen van het oude Blauwselhuis opgenomen zijn in de huidige villa.

Met dank aan de heer en mevrouw Koster voor hun bereidwillige medewerking.

 

  1. G. Woning e.a.: Van blauwselmakerij tot villa Beeckzangh uit: Velisena 1994, jaargang 3, p.7-14
  2. idem, p.12

Dit artikel is verschenen in VELISENA Nieuwsbrief, jaargang 12, nr.2, augustus/september 2003, p.5-8.